Gagel

Gagel

De wilde gagel (Myrica gale) is een bladverliezende struik die behoort tot de gagelfamilie (Myricaceae). Hij komt voor op natte, zure, venige grond op heidevelden, in moerasbossen en laagveenmoerassen. Ook vindt men de struik in de duinen. Hij vormt gagelstruwelen als er weinig concurrentie is van andere struiken of bomen. In België komt hij bijna uitsluitend voor in de Kempen.

De aromatisch geurende ijle struik wordt 0,6-1,5 m hoog. De 2,5-4 cm lange bladeren zijn omgekeerd eirond-lancetvormig en aan de top getand. Op de onderzijde van de bladeren zitten harspuntjes met harsklieren. Deze klieren produceren etherische oliën.

De oliën zijn licht toxisch en roesverwekkend.  De bladeren smaken bitter. Gagel was in de middeleeuwen vanwege de bitterstof in de bladeren een der hoofdbestanddelen van gruut, het kruidenmengsel dat bier moest helpen langer houdbaar te maken voordat hopbellen daarvoor algemeen toegepast werden. De struik werd vroeger beschouwd als medicinale plant of als toverplant, ze vond bijvoorbeeld toepassing bij tandpijn. De plattelandsbevolking gebruikte blad en takken om muggen te verdrijven. Vroeger legde men bladeren en takken van de gagel onder de beddenzak om luizen, vlooien en motten te verdrijven (mottekruid, vlooienhout). Een bosje gagel in de kleerkast was een afweermiddel tegen motten. De looizuurhoudende bast wordt toegepast bij het leerlooien. De gele bloemknoppen worden als verfstof gebruikt. De blaadjes werden vroeger gebruikt om spijzen wat meer smaak te geven, als goedkoper alternatief voor dure geïmporteerde spijzen. Hij is ook insectenwerend.

Gagel ruikt heerlijk en is mooi oranjebruin gekleurd. Het blad van gagel is scherp gezaagd. Het voelt leerachtig aan en is langwerpig van vorm. De grootste breedte ligt nabij de top van het blad. Bij wrijven van het blad komt de aangename, harsachtige geur vrij. In het najaar verkleuren de bladeren naar roestbruin. De vruchten bestaan uit gevleugelde nootjes die met harsachtige wratjes zijn bezet.

Hildegard von Bingen (1098-1179) gaf aan de kruiden nog een echt magische betekenis. Zo schreef ze dat lavendel en/of varens geschikt waren als amulet tegen demonen en tovenaars. De 'duivelse' faam van hop en het gevaar voor een beperking van 'het nageslacht' door het gebruik van dit kruid in bier, zullen alleszins als gevolg gehad hebben dat men dit 'recept' liever geheim hield.

In de Middeleeuwen gebruikten de mensen veel kruiden in gerechten en dranken. Zij konden daarmee smaakafwijkingen die zij hadden opgelopen door infecties als griep en verkoudheid verdoezelen. Maar sommige kruiden hadden ook roesverhogende en bedwelmende eigenschappen.

We moeten er ten andere van uit gaan dat de recepten van 'gruit' of 'gruut', zoals men de kruidenbasis voor bier was gaan noemen, geheim werden gehouden. Michael Moir schrijft hierover dat ‘alhoewel dit gruit over gans noordelijk Europa gebruikt werd, de samenstelling hiervan enkel bekend was door een aantal religieuze orden'. Hij stelt dat het waarschijnlijk zo is dat monniken experimenteerden met kruiden bij het brouwen van hun bier, en per toeval de eigenschappen van hop vonden.

Eén van de eerste vermeldingen van gruit in de Lage Landen, dateert uit 974 toen Otto II het gruitrecht van Fosses aan de kerk van Luik schonk. De gruit werd hier 'materam cervoisiell' genoemd. Op 11 april 999, gaf Keizer Otto III aan de Sint-Martinuskerk van Utrecht allerlei rechten in het domein Zaltbommel, waaronder het recht van de gruit. (1) Op gruit werd dus accijns geheven. Het hoofdbestanddeel van gruit was meestal 'gagel' (Myrica Gale L.)

Gruit bestond meestal uit gagel, duizendblad, laurierbessen, dennenhars of andere harsen, salie, jeneverbessen, enz. Veelal werd er bij de gruit "heksenkruiden" zoals het Bilsenkruid (Hyoscyamus niger) gedaan om de geestverrijkende werking van alcohol nog meer te stimuleren. Daarbij was het Bilsenkruid een uitstekend conserveermiddel. Later werd het gebruik van deze kruiden minder belangrijk omdat de hygiëne beter werd en door de komst van de in Engeland geteelde hop Abbot.

Daarnaast gebruikte men ook nog andere kruiden zoals bekelaar - of jeneverbes - salie, duizendblad, bilzenkruid, anijs, peterselie, laurier, rozemarijn, hars, koriander, gentiaanwortel, brandnetel, paardebloem, polei, wintergroen en/of munt. (https://www.twortwat.nl/)

In de Middeleeuwen werden aan gagel libidoverhogende eigenschappen toegekend. Gagelbier brouwen is een oude traditie in Midden en West Europa.  Om dit - volgens puriteinse middens - ongewenste effect van gagel in het bier te temperen, werd dit afrodisiacum vervangen door hop, dat een eerder kalmerende werking heeft.
De wortels van de gagelplant bevatten een schimmelzwam en zijn zwak giftig en mogen niet in grote hoeveelheden gebruikt worden.


 

 

Afrodiserend ingrediënt:
Afrodiserende bieren: 

Welke bieren horen bij dit afrodiserende ingrediënt? Klik op de onderstaande link en duid het afrodiserend ingrediënt aan. Als er niets verschijnt nadat u op toepassen hebt geklikt, wil dat zeggen dat er geen bieren met dit ingrediënt bestaan of dat we deze nog niet tegengekomen zijn.

Klik hier om het zoekvenster te openen.

Leuk om weten

In Belgische bieren treffen we wellicht gagel aan in de typische gruutbieren van stadsbrouwerij Gruut in Gent, maar ook in de blonde Molder (Molana)  (http://www.molder.be/index.php/mold...) en de Gageleer (Proefbrouwerijg Lochristi) (http://www.gageleer.be/)  In Nederland brouwt brouwerij Klein Duimpje een Gagel Tripel (7,5% alcohol) waar naast hop ook gagel is toegevoegd. (https://www.kleinduimpje.nl/bier/ga...)

Gagel tripel